Iedereen van het ontdekkingscentrum vond het leuk als de gasten van het pension een keer langs zouden komen. Dat het maar liefst zeven mensen waren, vonden ze echt geen probleem. Ze nodigden de gasten meteen al uit voor maandag, om rond half 12 te komen, een korte rondleiding te krijgen en samen met hen te lunchen!
De gasten verzamelden zich achter het pension, achter de droogruimte, waar Bianca de was aan het ophangen was.
“Veel plezier daar!” riep ze hen toe, terwijl ze hen uitzwaaide.
De ontvangst was bijzonder hartelijk. Rosalie rende op hen af en haalde hen binnen. Jan leek verlegen, maar was eerder verkennend. Anton zag hem kijken van de één naar de ander, en ging naar hem toe.
“Hoi, ik ben Anton!” zei hij terwijl hij op z’n hurken ging zitten om op gelijke hoogte te komen.
“Ik ben Jan”, reageerde Jan, “en ik ben een ontdekker hier.”
“Alleen hier? Of ben je thuis ook een ontdekker?”
Jan dacht even na… “Thuis wil ik dat ook wel, maar mama vindt dat volgens mij een beetje lastig. Ze wil niet dat ik te veel rommel maak. Maar als je in de tuin werkt, maak je altijd rommel,” zei hij verontwaardigd.
Anton knikte, begreep zijn probleem. “Kom je dan ook met rommel naar binnen?”
“Soms een beetje, in de tuin heb ik altijd klompen aan, en die trek ik weer uit als ik naar binnen ga. Maar soms zit er nog wat rommel aan mijn broek of in mijn haren, rommeltjes van de planten. Ik denk daar vaak niet aan, en dan valt er soms wat op de vloer. Ik wil ze wel zelf opruimen, maar mama doet het altijd meteen al. Ze vindt het echt lastig als er wat ligt. Ze is ook best druk, hihi, druk met de drukkerij. Papa en mama maken boeken van de verhalen van Rosalie. Haar verhalen zijn leuk joh!”
“Dat geloof ik graag, Rosalie is goed met woorden. En jij bent goed in de tuin… ik heb gehoord dat je hier een eigen moestuin gemaakt hebt. Mag ik dat zien?”
“Ja, kom maar mee! Rosalie, ik ga even met Anton naar mijn tuintje. We zijn zo terug.”
Joke had hen geobserveerd, genoot van de manier waarop Anton met het kind in gesprek was. Hij paste zich perfect aan, deed niet kinderachtig, maar kwam wel op het niveau van het kind. Eigenlijk was hij naar haarzelf ook zo, bedacht ze, hij kwam altijd op haar niveau, meestal haar emotionele niveau. Ze glimlachte en vroeg aan Jan of ze mee mocht. Hij knikte gretig!
Jan liep voor hen uit, naar buiten, de hoek om naar de zijkant van het gebouw. Vol trots wees hij hen op zijn tuin.
“Wat is dit voor schattig spul?” vroeg Joke, terwijl ze haar hand strelend over de kleine plantjes liet gaan. Ze wist wel wat het was, maar wilde Jan graag laten vertellen.
“Dat is tuinkers, mevrouw. Hoe heet u? Ik ben Jan.”
Joke knikte glimlachend naar hem: “Jan, ik heet Joke. En ik ben de vrouw van Anton.”
“Dan boft u, Anton is een aardige meneer, hij kan goed luisteren!”
“Ja, dat klopt, hij luistert ook altijd goed naar mij. Hij luistert met zijn hart…” zei Joke, terwijl ze haar hand op haar hart legde. “Of eigenlijk met zijn ziel, met zijn gevoel. Hij luistert echt!”
“Ja, niet zomaar een beetje. Het lijkt net of hij het voor zich ziet als ik vertel.”
Anton grijnsde: “Dat klopt, dat zie ik ook. Ik heb geen idee hoe jouw huis er uit ziet, maar ik zie jou in een tuin, lekker bezig om de boel mooi te houden, en dan terug rennen naar een terras, eigenlijk meer een veranda, net als hier met een dakje erboven. Ik zie het voor me dat je daar je klompen uit schopt en naar binnen gaat om enthousiast aan je moeder te vertellen wat je gedaan hebt. Maar dan vallen er wat plantenrommeltjes uit je haren of van je broek, en rent zij meteen met een stoffer en blik achter je aan… Dat is wat ik voor me zie.”
Jan schaterde, kon even niet praten van plezier. “Het is net een film als je het zo vertelt! Maar het klopt wel! Zie je ook voor je hoe onze tuin er uit ziet?”
Anton lachte: “Ik heb geen idee hoe die tuin in het echt is, maar ik zie een grasveld, met allerlei planten, dikke struiken vooral, er omheen.”
Jans ogen werden groot en zijn mond viel open: “Dat is zo, zo ziet het eruit. Nou moe… ik mag altijd het gras maaien als het te lang wordt. En ik mag ook onkruid trekken. En ik heb tegen mama gezegd dat ik die ene struik, een klimop, wil snoeien, omdat hij veel te groot wordt. De takken zijn zo lang, dat ze over de andere struiken heen groeien, of soms er tussendoor of er onderlangs. Het is gewoon niet leuk meer.”
“Nee, dan wordt het een rommel he, dan hebben die andere struiken haast geen ruimte meer,” dacht Joke. “En vond mama het goed als je zou gaan snoeien?”
“Nee, veel te gevaarlijk.”
“Een snoeischaar is ook gevaarlijk,” reageerde Joke begrijpend, “je kunt er zo een stuk van je vinger mee afsnijden, misschien niet door je bot heen, maar wel een stuk van je vel. Dat wil ze natuurlijk voorkomen. Ik zit te denken… zouden wij het samen kunnen doen? Ik hou er niet van om veel in de tuin te werken, maar zo een keertje, samen met jou, dat lijkt me best leuk. Denk je dat je moeder dat goed zou vinden?”
Jan straalde: “Dat ga ik haar straks meteen vragen! Ze komt me na de lunch ophalen, ben je er dan nog?”
“Ik denk het wel, want ik heb begrepen dat wij hier mogen lunchen. En anders wacht ik gewoon net zo lang tot ze er is. Afgesproken?”
“Afgesproken! Weet je wat me ook leuk lijkt? Als we een beetje tuinkers bij het eten kunnen doen… Zou het al groot genoeg zijn? Ik denk het wel, want het is al een week geleden toen ik het zaaide, ook op een maandag. Wachten jullie even? Dan ga ik het binnen vragen en een schaaltje en een schaartje halen!”
“Is goed, wij wachten hier!” zei Anton. Hij legde zijn arm om Jokes schouders: “Wat een super lief idee van jou. Waar zijn moeder nog wat leeuwen en beren ziet, bied jij een mogelijkheid. Jij hebt de tijd, zij niet, of in elk geval denkt ze dat ze dat niet heeft. Dus ze hoeft zich ook niet schuldig te voelen. Het zou fijn voor Jan zijn, als ze het goed vindt. Ah, daar ben je alweer,” ging hij verder tegen Jan.
“Ja, ik mag het voorzichtig afknippen, vlak boven de grond. Ik ga proberen om er geen aarde bij te doen, want dat smaakt niet lekker. Sjaak heeft gezegd dat tuinkers lekker is op een plakje kaas.”
Hij kletste gewoon verder, terwijl hij de eerste plukjes tuinkers knipte. Hij rook eraan. “Het ruikt een beetje pittig…”
Hij stopte een paar sprietjes in zijn mond en probeerde te kauwen. Hij trok een vies gezicht. “Het smaakt wel lekker, maar nou heb ik allemaal kleine dingetjes in mijn mond, ik kan het niet doorslikken. Nou ja, straks maar even spoelen.”
Hij knipte vrolijk door. “O ja, hier achter, dat veldje, daar groeit veldsla, en daarnaast een sla met een moeilijke naam, maar Rosalie heeft daar een grapje voor bedacht, een ezelsbruggetje. Het heet Ru en dan Cola… rucola.”
Anton en Joke schoten in de lach. “Geweldig, zo vergeet je het vast nooit meer!”
“Nee, echt niet, dat is ook zo pittig, zei Sjaak, die ru-cola sla. En hier… weten jullie wat dit is?”
Hij wees naar het vierde vak. Anton keek goed, en antwoordde: “Het lijkt wel of je hier uien gepoot hebt, klopt dat?”
“Yep! Dat zijn uien. Ze moeten nog een flink stuk groeien, dan kunnen we ze oogsten, in stukjes snijden en een beetje bakken. Dat noemen ze… fruiten. Ik snap niet wie dat woord bedacht heeft, echt stom, het heeft niets met fruit te maken, het is groente!”
“Jij bent een slimmerd, Jan!”
“Ja, dat zegt mama ook al, ze zegt dat ik in één week hier in het ontdekkingscentrum al veel slimmer geworden ben. Het is hier veel leuker dan op school!”
.
Terwijl Jan met Anton en Joke in de tuin was, waren de anderen binnen met elkaar in gesprek. De gasten kregen een rondleiding, stelden vragen, ontdekten mogelijkheden en waren helemaal enthousiast over de manier waarop er geleefd en gewerkt werd.
“Dit is zoveel meer dan een school, dit voelt als een kleine samenleving. Geen systeem, maar gewoon laten worden, laten komen, naar buiten laten komen wat er in je zit. Voor de ontdekkers, en voor jullie begeleiders net zo goed.” Marieke voelde zich blij worden van deze mogelijkheid.
“Reken maar,” zei Patrick, “ik heb vorige week heel wat geleerd van Sjaak, de tuinman van Bloemenhof. Hij heeft Jan en mij begeleid in het maken van een moestuin, hier links om de hoek. Ik heb me er over verwonderd, hoe die man, terwijl hij altijd met zijn neus in de planten zit, zo in staat was om door vragen te stellen ons zelf dingen te laten ontdekken. Jan vooral, maar ik heb in stilte ook van alles ontdekt, ook gezocht naar de antwoorden. Het was heel leerzaam. Er zijn van die dingen die wij volgens een systeem doen. Wil je iets zaaien, dan koop je een zakje zaad, en kijk je op de achterkant hoe diep de zaden de grond in moeten. Dat is ten diepste een systeem, niet per se een verkeerd systeem, maar het maakt dat je zelf niet meer nadenkt. Je volgt gewoon de instructies op. Maar wat deed Sjaak? Hij stelde vragen, ogenschijnlijk domme onnodige vragen, maar hij liet er Jan door nadenken en zelf vragen stellen. We zijn een hele ochtend bezig geweest, en we hebben zoveel geleerd, zoveel ontdekt. En Jan, het was zijn eerste ochtend hier, hij was zo voldaan, en ongelofelijk moe. Hij zou de hele dag komen, maar zijn moeder heeft hem na de lunch opgehaald. Sindsdien komt hij alle ochtenden, in plaats van één dag per week, zoals eerst was afgesproken. Vanmorgen zei hij nog, dat hij weekenden niet leuk vond, want dan kon hij hier niet naar toe. Herkenbaar, he Rosalie?”
“Ja, echt wel! De weekenden gaat nog wel, maar de vakantie vond ik eerst vreselijk. Ik wilde hier zijn, hier verhalen typen. Dit is mijn werkplek. Maar ik mocht gelukkig ook thuis typen, en bij Ineke en Ilse, dat was gewoon zo gezellig! Ik heb in de vakantie wel drie lange verhalen geschreven. De kortste was vijftig bladzijden, dat is best lang!”
“Dat is hartstikke lang,” vond Marieke, “en ik denk dat je verhalen de komende jaren steeds langer worden, dat het echte boeken worden, denk je ook niet?”
“Mijn verhalen zijn al echte boeken, Annelies en Bert, de ouders van Jan, hebben een drukkerij bij hun huis gemaakt, en ze maken boeken van mijn verhalen. Als je het leuk vindt, kun je ze zelfs kopen!”
“Echt waar?” vroeg Johan verbaasd. “Wat leuk! Waar kunnen we een boek van jou kopen?”
Marieke kwam er tussendoor: “Gisteren in de kring… toen vertelde je al aan mij dat ze boeken van jouw verhalen maakten, maar toen kon ik me niet voorstellen dat dat echt zo was. Het spijt me, Rosalie, dat ik je niet serieus genomen heb!”
“Geeft niet, snap ik wel, je kent mijn verhalen nog niet hahaha. Annelies en Bert verkopen mijn boeken, en als ze er genoeg verkopen, dan gaan ze ze ook verkopen in de boekhandels. Ze denken dat dat wel gaat lukken.”
Marieke keek Johan vragend aan. Ze zag dat hij knikte. Met haar vingers vroeg ze: “Eén, twee of drie?”
“Drie natuurlijk,” zei Johan. “Als Rosalies verhalen goed genoeg zijn om er boeken van te maken, wil ik ze alle drie lezen! En als onze lieve kleine meid geboren is, wil ik ze aan haar voorlezen!”
Rosalie lachte: “Ik ben nog een boek aan het schrijven, voor jullie baby en voor alle andere mensen die het willen lezen. Ik heb nog niet veel, ik ben er vanmorgen pas mee begonnen. Het gaat over een vlinder, ik heb haar Vlinnie genoemd. Ik weet nog niet het hele verhaal, maar dat komt vanzelf, dat komt… hoe heet dat ook alweer?”
“Opborrelen uit je ziel,” hielp Bea.
“Precies, uit mijn ziel. Mijn ziel weet het hele verhaal al, of laat het groeien terwijl ik type, ik weet het niet, maakt niet uit, als het verhaal er maar komt! Waarom heb jij tranen in je ogen, Marieke?”
“Dat komt doordat jij jouw vlinder Vlinnie hebt genoemd. Johan vindt mij ook net een vlinder, en hij noemt mij soms Vlinnie, dat is mijn troetelnaam.”
“Echt? Dat vind ik leuk!” riep Rosalie blij uit.
Terwijl zij achterin het gebouw praatten over boeken schrijven en allerlei andere dingen waarover de gasten vragen stelden, kwam Jan het gebouw weer binnen, met een schaaltje tuinkers, en met Anton en Joke achter zich aan. Joke liep met hem mee naar de keuken, omdat hij haar gevraagd had hoe hij het beetje aarde dat er toch nog tussen gekomen was, weg kon krijgen. Ondanks dat Joke gewend was als kind alle antwoorden voorgekauwd te krijgen, had Antons benadering van de dingen waar ze als volwassene tegenaan liep, haar geleerd dat het goed was om zelf te ontdekken. En door Jans verhalen heen had ze gemerkt dat het hem ook goed deed. In de keuken vroeg ze hem, om in de kastjes op zoek te gaan naar iets dat ze konden gebruiken. Hij vond een vergiet, was even enthousiast, maar hield toen een blaadje van de tuinkers erbij en was bang dat het water dan ook heel veel tuinkers zou wegspoelen.
“Ik denk dat je gelijk hebt,” zei Joke, “heb je hier nog iets met kleinere gaatjes?”
“Ja, deze, een grote zeef!”
Ineke kwam net de keuken binnen en hoorde zijn uitroep. “Die heb ik speciaal voor jouw tuinkers gekocht Jan!”
“Dank je wel, lief van je, Ineke!”
Ineke haalde haar hand even door zijn haren en liet hem verder aan Joke over.
Jan legde de zeef in de gootsteen, kiepte zijn schaaltje erin leeg, peuterde de laatste blaadjes die in het schaaltje bleven plakken eruit, en deed die ook in het vergiet.
“Zo,” zei hij, “zonde om weg te gooien! En nou water!”
Hij zette de kraan open, eerst zacht, bewoog de zeef zodat alle tuinkers nat werd.
“Verdorie, die aarde wil er nog niet echt uit. Ik denk dat die klontjes een hardere straal nodig hebben!”
Hij zette de kraan ver open, schrok zelf van de harde straal, waarop Joke haar hand onder de straal deed, waardoor het water zich verspreidde over de tuinkers.
“Wow, jij maakt er een douche van!”
“Ja, leuk he? Probeer jij eens voorzichtig met je vingers door de tuinkers te gaan, misschien kunnen we de klontjes aarde dan beter wegspoelen. Ik weet niet of het lukt hoor, ik moet het ook nog ontdekken!” lachte Joke.
“Ja, dat werkt, want nou breken de klontjes kapot, kijk maar, jouw douche spoelt ze weg!”
Hij liet het douchen nog even doorgaan en deed toen de kraan weer dicht. Glunderend keek hij Joke aan: “Dat hebben wij toch mooi voor elkaar! Maar nu is alles veel te nat, dan krijgen we drijfbrood!”
Joke schoot in de lach. “Dat is leuk voor baby’s die net leren om brood te eten, maar wij houden daar niet meer zo van!”
“Eten baby’s echt drijfbrood?”
“Ja, zoiets, stukjes brood zonder korst, nat gemaakt in een beetje melk. Dan soppen ze het zo weg! Ze hebben dan meestal nog geen tandjes of misschien een paar, maar dan weten ze nog niet hoe ze moeten kauwen. Daarom moet je het even makkelijk voor ze maken.”
“Grappig! Heb jij veel kinderen?” vroeg Jan.
“Nee, jammer genoeg hebben Anton en ik helemaal geen kinderen gekregen. Ik weet niet waarom, maar het is goed zo. Ik was eerst heel verdrietig, maar nu niet meer. Ik merk wel, dat ik het heel leuk vind om zo even met een kind van een ander, met jou, te kletsen en samen te werken. Daar geniet ik echt van. Dus ook voor mezelf hoop ik dat je moeder het goed vindt als ik je mag helpen met snoeien. We zullen zien, eerst maar eens die tuinkers droger maken.”
Terwijl ze vertelde, had Jan iets nieuws ontdekt. Hij liet de zeef keer op keer op zijn hand landen, en daardoor leken er steeds meer druppels uit de zeef te verdwijnen.
“Ik heb al een begin gemaakt, kijk maar!”
Joke grinnikte. “Ik zag het, leuk!”
Ze pakte de vaatdoek, spoelde die uit en wrong hem zo droog mogelijk.
“Als je het hier nou eens op doet, zou dat nog beter werken?”
Jan tikte met de zeef op de bijna droge vaatdoek.
“Goed zeg, er komt nog heel veel water uit!”
Joke wrong hem nog eens stevig uit, en bonsde er zacht mee tegen de onderkant van de zeef. Lachend keken ze elkaar aan.
“Leuk he Joke, samenwerken!” riep Jan uit.
“Echt wel!” lachte ze.
“En hoe is het hier met de tuinkers?” hoorden ze Antons stem.
Joke keek lachend naar hem om en Jan gaf stralend antwoord: “We hebben de tuinkers gedoucht en meppen het nu droog met de vaatdoek, anders krijgen we baby-drijfbrood!”
Joke schaterde. “Wat ben jij een geweldige kerel, Jan! Baby-drijfbrood… Ik denk dat de tuinkers nu wel droog genoeg is. Zullen we de zeef omkiepen boven een bord of boven een schaaltje?”
Jan keek naar het schaaltje dat ze net gebruikt hadden en het bord dat Joke uit de kast gepakt had. “Boven het bord, anders valt de helft ernaast!”
Hij kiepte de zeef om boven het bord, tikte er een paar keer op en peuterde de laatste blaadjes er met duim en wijsvinger uit.
“Zo, we hebben ze allemaal, en de aarde is er mooi uit!”
Jan legde de zeef op het aanrecht, nam het bord mee naar de grote tafel naast de keuken. Joke pakte lukraak een stapel borden uit de kast en begon ze op tafel neer te zetten.
“Anton, met hoeveel mensen zijn we?”
“Geen idee, lieverd, maar dat ontdekken we straks vanzelf als iedereen gaat zitten.”
Joke lachte en zette het stapeltje borden dat ze nog over had op tafel.
“Wat nog meer, Jan?”
“Bestek, we zijn nu met zoveel mensen, ik weet niet hoeveel…” Hij keek haar ondeugend aan: “Zullen we alle messen en vorken op een bord leggen? Dan kan iedereen zelf zijn bestek pakken!”
“Goed plan, doen we!” Joke pakte een bord en hielp Jan het bestek erop te leggen. Hij zette het bord bovenop de andere borden midden op tafel, gingen terug om het broodbeleg op te halen. Het zoete beleg stond op een dienblad.
“Ik heb dat nog nooit gedaan, maar ik denk dat ik het best kan,” zei Jan.
“Er ziet een stevige rand om het dienblad heen, dus de potjes zullen er vast niet zomaar af glijden,” dacht Joke. Toch hield ze het blad goed in de gaten, en hielp Jan om het op de tafel neer te zetten.
Jan keek haar aan met een zucht: “Rosalie heeft gelijk, ons lijf is te klein. Als mijn lijf groter was geweest, had ik het helemaal zelf gekund.”
“Klopt,” zei Joke, “maar gelukkig konden we het samen doen. Samen is ook goed toch?”
Jan lachte alweer: “Ja, samen is goed, samenwerken met jou is leuk!”
Inmiddels kwamen alle anderen ook richting de eettafel.
“Zo, hier wordt al hard gewerkt aan de lunch, zie ik,” zei Ineke. “Kan ik jullie nog ergens mee helpen?”
“Nee hoor,” zei Jan, “wij krijgen het samen wel voor elkaar! Nog brood, kaas en worst. En de kaasschaaf!”
Joke pakte de kaas en de worst uit de koelkast, omdat Jan daar niet bij kon, gaf op zijn verzoek twee kleine bordjes, en daar legde hij alles op. Verschillende worstsoorten op het ene bordje, de kaas en de kaasschaaf op de andere.
"Wil jij die op tafel zetten? Dan pak ik het brood nog even.”
Jan wachtte niet op antwoord, draaide zich om en haalde twee broden uit de kast, en een mandje, waarop hij de boterhammen begon te verdelen. Toen hij klaar was, pakte hij de broodzakken, duwde er voorzichtig de meeste lucht uit, draaide het uiteinde een paar keer om en legde de zakken met het overgebleven brood, met het omgedraaide uiteinde eronder, terug in de kast.
“Dat heb je slim aangepakt, Jan, zelf bedacht?” vroeg Bea, die om de hoek keek.
“Nee, zelf afgekeken,” lachte hij. “Rosalie doet het ook zo. Ze zegt dat het brood uitdroogt als er te veel lucht in zit. Kijk eens, mooi mandje brood, maar zou het wel genoeg zijn?”
“Wat denk jij?” vroeg Bea.
“Ik denk het niet, maar dan kunnen we het wel weer vullen, ja toch?”
“Dat kunnen we zeker!” zei Bea. “Kom mee, dan gaan we lekker eten, ik wil die tuinkers van jou wel eens proeven!”
Maak jouw eigen website met JouwWeb