Hoofdstuk 62.

Een tuinman

De rest van de ochtend was een nog groter feest voor Jan. Sjaak prees hem omdat hij de grond zo mooi rul gemaakt had en de nieuwe tuinaarde er geweldig over verdeeld had.

“Weet je wat nu handig is Jan? Een paadje stampen, er dwars doorheen, zodat je straks overal bij kan. Ik kan wel helemaal naar de andere kant reiken vanaf hier, nou ja… gaat ook nog lastig, maar ik ben veel langer dan jij. En ik denk dat je het over een poosje leuk zult vinden om zelf je sla te gaan oogsten, toch?”

Jan knikte. Sjaak legde zijn hand op zijn schouder en nam hem mee naar de smallere kant van het lapje grond: “Begin hier maar, en loop maar recht naar de overkant, dan krijg je een prima pad.”

Patrick ging aan de andere kant van het tuintje staan en maakte met zijn mobiel een foto van het glunderend stampende kereltje. Hij stuurde hem meteen door naar zijn vader.

“Is het zo genoeg?” vroeg Jan. Hij keek om, bekeek zijn paadje. “Zal ik het nog een keer doen, dan is het echt goed aangestampt.”

Sjaak knikte glimlachend naar hem: “Goed gezien, Jan de Boer!”

“Ik heet Jan Bakker hoor!” protesteerde hij, terwijl hij met kleine stapjes stampend het paadje nog een keer langs ging.

“Dat vind ik prima, maar vandaag ben je voor mij Jan de Boer, dat past veel beter bij je werk!” reageerde Sjaak.

Jan grinnikte, had de ondeugende klank in Sjaaks stem gehoord en begreep dat het een grapje was. Na twee keer het pad plat stampen, keek hij om en beoordeelde zijn paadje: “Zo lijkt het me goed, lekker stevig!”

“En wat hebben jullie ook alweer gekocht om te zaaien? Uien om te poten, en wat nog meer?”

Jan pakte de drie zakjes die Patrick zolang in het schaaltje had gelegd.

“Deze, dit is… tuinkers! En deze twee zijn een soort sla, dit is geloof ik de veldsla, en dit die met die moeilijke naam. Die weet ik alweer niet.”

“Die is ook lastig, rucolasla.”

“Die was lekker pittig toch?”

“Klopt, een soort pittig, kruidig. En de veldsla is sla met een beetje een notensmaakje. Maar dat hoef je niet te onthouden, dat moet je gaan proeven, dan vergeet je het vast nooit meer! Zullen we met de tuinkers beginnen? Vinden jullie het handig om het hele veldje in vier stukken te verdelen?”

“Waarom in vier stukken?” vroeg Jan. “Oh, wacht, ik zie het al, we hebben die drie zakjes, en de uien, dat is samen vier. Voor elk soort een eigen vakje!”

“Verdraaid, kun jij al rekenen?” vroeg Patrick verbaasd.

“Rekenen?” vroeg Jan, “wat bedoel je?”

“Optellen, jij was aan het optellen, drie en nog één erbij, drie en één is vier.”

“Ja, makkelijk, dat is gewoon één verder tellen,” vond Jan.

“Oké grapjas, we doen het anders, ik heb hier twee dingen om straks in de grond te stoppen, hou maar even vast die twee soorten sla, jij hebt er twee, en ik heb hier de tuinkers en de uien, dat zijn er ook twee. Twee en dan nog twee, hoeveel is dat dan samen?” vroeg Patrick.

Jan haalde zijn schouders op, niet omdat hij het niet wist, maar omdat hij het eigenlijk een domme vraag vond. “Dat is toch gewoon hetzelfde? Ook vier! We hebben toch niet ineens meer spullen of minder spullen?”

“Kerel, jij bent slim! Jij ziet hoe het in elkaar zit! Maar we gaan nu niet verder met rekenen, we gaan nu lekker zaaien en poten. Welke zullen we het eerste doen, maakt dat uit Sjaak?"

“Nee hoor, eigenlijk niet. Waar wil jij mee beginnen Jan?”

“Met de tuinkers, want die is het eerste klaar om eraf te knippen.”

“Prima, doen we die eerst. Heb je een idee hoe je het moet doen?” vroeg Sjaak.

“Gewoon strooien?”

“Probeer het eens voor je te zien. Als je de zaadjes op de aarde strooit, wat zou er dan mee kunnen gebeuren?”

“Oh, dan komen de vogels ze pikken! Dat wil ik niet!”

“Dat heb je goed bedacht! En er is nog iets. Als je ze op de aarde strooit, en er op het laatst water overheen sproeit, wat zou er dan nog meer mis kunnen gaan?”

Jan zag het voor zich: “Als ik er dan overheen sproei, spoel ik de zaadjes weg!”

“Je hebt helemaal gelijk, dan spoel je ze weg. En daarna, wat kan er daarna gebeuren?”

Jan dacht zichtbaar diep na, terwijl hij naar het nog lege tuintje keek. Hij keek op naar Sjaak. Sjaak begreep dat Jan geen idee had. Hij zei niets, maar keek op naar de zon. Jan keek naar dezelfde plek en begreep: “De zon, de zon zou ze helemaal droog maken. Dan krijgen ze een zonnesteek!”

Patrick en Sjaak schoten in de lach: “Daar heb ik nog nooit van gehoord dat zaden ook een zonnesteek zouden kunnen krijgen,” beweerde Sjaak, “maar eigenlijk heb je gelijk. Die zon droogt de zaadjes helemaal uit! En dan gaan ze dood… En dan nóg wat. Als een zaadje gaat groeien, wat komt er dan aan de onderkant aan?”

“Worteltjes! Die groeien naar beneden om daar water te drinken!”

“Dat klopt helemaal! En die worteltjes helpen nog ergens mee, samen met het steeltje dat naar boven gaat groeien. Samen geven ze het plantje stevigheid, zodat het niet meteen omvalt en kapot breekt als er een klein beetje wind langs komt.”

Sjaak zag Jan denken en liet hem even.

“Daarom moeten ze ook wat dieper, dan zitten de plantjes straks wat steviger. Nog meer, Sjaak?”

“Nee, ik denk het niet, we hebben nu al zoveel redenen bedacht waarom we niet zomaar los op de aarde moeten strooien. Hier achterop het pakje staan wat dingen getekend en geschreven om ons een beetje te helpen. Hier aan dat verticale pijltje,” Sjaak bewoog zijn vinger van boven naar beneden en terug naast het tekentje, “hieraan kun je zien dat ze niet heel diep hoeven. Er staat 1 cm naast.” Sjaak pakte de hand van Jan en wees naar zijn pink. “1 cm is ongeveer zo lang als dit, één kootje, één stukje van je pink. Zo diep moeten de zaadjes ongeveer. Verder mogen ze best dicht naast elkaar liggen, dat is voor tuinkers niet zo’n probleem. Dus als je een geultje in de grond maakt, een gleufje zo diep als dat stukje van je pink, dan kun je de zaadjes daarin strooien.”

“Gewoon zo een gleufje maken?” vroeg Jan, terwijl hij zijn pink vooruit stak en heen en weer bewoog.
“Ja, maar het mag ook met je wijsvinger, dat voelt misschien beter, maar je kunt met je pink meten hoe diep het geultje moet worden. Ongeveer, het maakt niet heel veel uit hoor,” antwoorde Sjaak.

Samen met Patrick keek hij hoe Jan met zijn wijsvinger een geultje trok en met zijn pink op verschillende plaatsen controleerde of het diep genoeg was.

“Hier kan nog wel een geultje, denk ik,” zei Jan. Hij wachtte niet op antwoord, maar trok nog een geultje, en nog een derde.

Hij glunderde: “We kunnen echt heel veel zaadjes strooien, Patrick! Hebben we wel genoeg gekocht?”

“Ik denk het wel,” zei Patrick, terwijl hij het zakje tuinkers-zaad tegen zijn hand tikte om de zaadjes zoveel mogelijk naar beneden te laten vallen in het zakje. “Wil jij de bovenkant eraf scheuren?”

Jan pakte het zakje van hem over. Omdat hij bang was dat de zaadjes er uit zouden vallen, vroeg hij aan Patrick of hij het zakje aan de onderkant wilde vasthouden. Even later strooide hij de zaadjes in het schaaltje.

“Mag ik?” vroeg hij gretig.

“Doe maar,” zei Sjaak, terwijl hij oplette of Jan niet te veel in één keer nam. Jan twijfelde daar ook even over, hoe hij het dit beste kon doen. Niet met het schaaltje zelf, dan zou hij het in één geultje leeg kiepen. Hij pakte wat zaadjes tussen duim en wijsvinger en strooide die in één van de geultjes. Rustig werkte hij door, verdeelde de zaadjes over de drie geultjes.

Het ontroerde Patrick, hoe hun nieuwe ontdekker, die zo geschokt was geweest door het verschijnsel school, zo vlot dingen leerde en nu met zoveel rust de zaadjes verdeelde. Hij maakte er een paar foto’s van, en besloot ze later naar Bert en Annelies te sturen, misschien als een collage of zo. Hij zou hen dan meteen vragen, of zij het goed vonden, als hij zo’n collage op hun website zou zetten.

Jan was klaar, het schaaltje was leeg.

“Zal ik ze nu toedekken?” vroeg hij aan Sjaak.

Sjaak knikte: “Doe maar, en ik moet zeggen dat je ze op een heel mooie manier verdeeld hebt! Dek je kindertjes maar toe!”

“Hahaha mijn kindertjes! Slaap lekker schatjes!” lachte Jan tegen het zaad, terwijl hij hen met aarde toedekte.

“Gaan we nu meteen al sproeien, of zullen we dat straks maar doen, als ik de rest ook gezaaid heb? Straks maar he, alles tegelijk?”

“Dat lijkt me handig ja,” reageerde Patrick. “Het je nog zin om verder te gaan?”

“Ja, ik wil alles vandaag klaar hebben en dan de volgende keer kijken of ze al gegroeid zijn. Als ik nog niet alle dagen kom, zorg jij dan dat ze nat genoeg blijven?”

“Goed dat je dat vraagt, ik zal het voor morgen in mijn mobiel zetten, want ik wil het niet vergeten.”
.

Jan werkte die ochtend rustig door, kreeg zelfs de uien nog in de grond. Alleen was er op dat moment geen tijd meer voor water sproeien.

“Dat moeten we dan meteen na de lunch doen hoor,” zei hij gedreven, “anders gaan die zaadjes en die uien allemaal dood!”

Terwijl Patrick dat beloofde en Sjaak voldaan naar huis ging, kwam Rosalie net naar buiten: “Komen jullie ook, het is tijd om te eten! Ik heb de tafel al gedekt!”

“Fijn Rosalie, dank je wel, ik heb best trek in een boterham. Jij ook, Jan?”

“Ja, echt wel! Van buiten werken krijg je honger!”

Patrick legde lachend zijn hand op Jans schouder en liep achter hem aan naar binnen.

Tijdens de maaltijd vertelde Rosalie dat ze aan haar vierde lange verhaal begonnen was. “Het gaat over een koe op de boerderij. Ze vindt het daar niet gezellig, doordat de meeste koeien haar niet aardig vinden, en dan probeert ze weg te lopen. Ik weet nog niet hoe het verder gaat. Ik weet alleen dat het haar nog niet gelukt is.”
“Zielig,” vond Jan, “zielig dat ze haar niet aardig vinden, maar ik ben blij dat ze niet kon weglopen, want wat moet een koe helemaal alleen buiten de boerderij? Dat kan niet goed gaan! Ze kan wel een poosje gras eten langs de kant van de weg, maar op de weg is het gevaarlijk. En wie kan haar melken? Straks knappen die uiers uit elkaar… Als je verder gaat, laat haar dan maar in de wei blijven. Ze moeten het maar op een andere manier oplossen.”

Rosalie keek hem verrast aan. “Jij snapt die koeien echt! Je voelt hen gewoon aan! Mooi is dat… Ik heb trouwens mijn eerste verhalen uitgeprint en in een map gedaan. Die mag jij of Annelies vanmiddag mee naar huis nemen om te lezen.”

Jan knikte. “Is goed, mijn vader en moeder willen boeken maken, misschien kunnen ze van jouw verhalen ook wel boeken maken.”

Hij zei het nonchalant, zomaar een ideetje, maar bij Rosalie kwam het binnen.

“Boeken maken van mijn verhalen? Kan dat echt?”

“Vast wel, ik zal het wel vragen,” antwoordde Jan.

Hij was moe. Alle indrukken en het werken buiten… het was best veel geweest. Maar hij vermande zich, knipperde regelmatig met zijn ogen om wakker te blijven, want hij wilde echt nog zijn moestuin sproeien. De zaden en de uien hadden water nodig.

Patrick zag hoeveel moeite hij moest doen om wakker te blijven. Zodra Jan zijn boterham en drinken op had, zei hij: “Jan, het is niet netjes om van tafel te lopen, maar ik denk dat we jouw zaden en uien niet te lang moeten laten wachten. Zullen we ze eerst maar sproeien?”

Jan knikte: “Ja, doen we! Ik ben zo terug!”

Patrick maakte een gebaar naar Bea en Ineke, een gebaar om te laten weten dat Jan bijna zat te slapen. Ze glimlachten, staken hun duim op.

Rosalie keek de beide mannen na en vroeg toen: “Wat was er aan de hand?”

“Patrick had gezien dat Jan bijna in slaap viel. Hij zal wel moe zijn, alles is hier nieuw, en volgens mij is hij ontzettend enthousiast aan de gang gegaan. En het zou ook nog wel eens kunnen dat hij van de spanning vannacht niet zo veel geslapen heeft. Weet je wat, ik overleg even met Annelies.”

Bea belde Jans moeder en vertelde hoe het ging, maar dat hij heel moe was. “Hij is nu samen met Patrick de moestuin aan het sproeien, dat zou hij niet aan een ander over willen laten, maar volgens mij staat hij te wankelen op zijn benen. Wat denk jij, zou het handig zijn als je hem zo ophaalt en dat hij morgen of zo nog een keer een halve dag komt?”

Het was even stil, Bea luisterde naar Annelies.

“Elke dag alleen de ochtend? Misschien is dat voor het begin helemaal niet zo gek. Als dat goed blijft gaan, kunnen we altijd uitbreiden naar zo nu en dan een hele dag.”

Annelies zei nog iets…

“Over het geld praten we nog wel een keer, we kunnen het deze eerste maand ook gewoon doen naar aanleiding van hoeveel halve dagen hij geweest is. Vind je dat een goed idee?”

“Ja, is goed, overleg vanavond maar, dan horen we het morgen of overmorgen wel. Tot zo!”

Een kwartiertje later, toen Jan en Patrick weer binnenkwamen, troffen ze Annelies daar in de gezellige zithoek.

“Mam? Ik wil echt nog niet naar huis, het is hier zo leuk!”

Er kwam een grote geeuw achteraan.

“Daarom hoef je niet tot volgende week te wachten. Als je nu mee naar huis gaat, een poosje slaapt, dan mag je morgenochtend weer. Lijkt je dat een goed idee?”
“Morgen alweer?... gaaaap… ja, dan ga ik mee. Is dat goed Patrick?”

“Ik denk dat dat een geweldig goed idee is. Ik vind het leuk als je morgen alweer kunt komen. Annelies, volgens mij wil Rosalie je nog iets meegeven.” Patrick knikte naar Rosalie.

“O ja, je verhalen! Mag ik ze echt lezen?”
Rosalie knikte gretig: “Graag, en als je ze leuk vindt, mag je er boeken van maken. Dat zei Jan, dat jullie dat kunnen!”

Annelies lachte: “We kunnen het nu nog niet, maar we zijn wel een drukkerij aan het opzetten, en als dat klaar is, kunnen we het wel. Ik zal het eerst lezen, en dan praten we erover verder! Nu snel naar huis, voordat Jan hier staande in slaap valt! Kom mee, kerel! Tot morgen allemaal!”

Jan zwaaide: “Tot morgen, ik kom morgen weer!” en tegen Patrick: “Dank je wel, het was echt gaaf!”

Patrick streek hem even over zijn haren: “Tot morgen, beste boer!”

Met een vage glimlach en bijna dichtvallende ogen liep Jan met zijn moeder mee naar huis.

Naar hoofdstuk 63. Ze komen!

Of naar de Inhoudsopgave

Maak jouw eigen website met JouwWeb