De zomer was al in volle gang, de maand juli liep op z’n eind. Marianne was blij dat het een beetje warm was, was blij met de zon, en met de schaduw in haar achtertuin.
Na haar werk bij de rechtbank, na al het verwerken van de correspondentie voor Johan, vond ze het fijn om thuis te zijn, even niets te hoeven, haar hoofd wat rust te gunnen.
Ze genoot van de vriendschap met Johan en Marieke, een vriendschap die steeds sterker werd. Ze was niet zomaar een collega voor Johan, of de collega van Mariekes partner, ze voelde zich meer dan geaccepteerd, ze voelde zich thuis bij hen. Ze was deel van hun leven, niet zomaar een aanhangsel, maar een belangrijk deel. Dat wist ze, dat voelde ze.
Dat betekende niet dat ze dagelijks bij elkaar rondhingen. Eigenlijk had ze geen flauw idee hoe vaak ze bij hen kwam. Gewoon als het zo uitkwam, als één van hen het vroeg of als ze zelf het gevoel had dat ze er even langs moest gaan.
Het was haar opgevallen, dat de momenten waarop ze op hun uitnodiging of op eigen gevoel naar hen toe ging, dat er altijd iets bijzonders gebeurde. Regelmatig ging het gepaard met een stukje innerlijke genezing, meestal bij haarzelf.
Dat was al vaak gebeurd, en meestal voelde het voor korte tijd heftig. Maar laatst was het heel grappig gegaan. Ze had verteld hoe ze met haar vrije tijd thuis omging, beetje niks doen, haar hoofd rust gunnen. Ze had verteld dat ze geen zin meer had in lezen, dat dat op zo’n moment ook weer te veel van haar hoofd vergde.
“Ik heb gewoon zin om iets met mijn handen te doen, iets te frummelen, maar dan wel iets leuks frummelen.” Ze had gegrinnikt om het woord, frummelen, raar woord eigenlijk!
Marieke was opgestaan en kwam terug met een plastic tas met wat bolletjes katoen. “Alsjeblieft, ga jij maar wat frummelen! Maar er maar wat leuks van!”
Ze had gelachen om haar malle vriendin, en had in een flits een grijns op Johans gezicht gezien.
En hoe mal het ook was, ze pakte vier bolletjes katoenen breigaren uit de tas, allemaal blauwtinten van ongeveer dezelfde dikte, en vroeg aan Johan of hij de vier uiteinden, die ze bij elkaar knoopte, vast wilde houden.
“Dat wil ik wel,” zei hij, “maar ik weet iets simpelers. Hij pakte een bolletje van een totaal andere kleur uit de tas, knipte er een stuk draad af, en bond daarmee de knoop van haar vier blauwe draden aan de tafelpoot vast. “Zo, jij kunt frummelen wat je wilt, die tafel houdt het wel voor je vast.”
Grinnikend was ze aan de slag gegaan met wat haar in gedachten was gekomen, macramé, een speciale knooptechniek waarmee je allerlei leuke dingen kon maken. Ze had geen idee wat ze zou willen maken. Ze begon gewoon met de meest basale knoop die ze ooit geleerd had: twee draden recht in het midden houden, en de andere twee er om beurten omheen slingeren.
Terwijl ze bezig was, merkte ze dat ze rust in haar hoofd kreeg. Haar handen waren lekker bezig, en haar gedachten hielden zich behoorlijk rustig. Ze had zelfs niet in de gaten dat Johan en Marieke malle gezichten naar elkaar zaten te trekken. Ze genoot van de rust en voelde steeds duidelijker dat ze deze oude hobby eigenlijk best vaker zou willen oppakken. Zo nu en dan veranderde ze van knoop, zorgde ervoor dat ook de andere tinten blauw, die in het begin verstopt zaten in de twee draden die er omheen slingerden, een keer naar buiten kwamen. Ze werd steeds losser in hoe ze ermee om ging, trok zich niets aan van wat ze ooit uit macramé-boekjes geleerd had. Ze ging heerlijk vrij haar eigen weg.
Marieke had voor hun thuiskomst al een macaronischotel gemaakt, en had die af laten koelen in de koelkast. Ze haalde hem op, vroeg aan Marianne of ze ook zin had in een kommetje macaronischotel en hield haar even later een vol kommetje voor. Met een diepe zucht nam Marianne afstand van haar knoopwerk, legde de bollen die ze gebruikt had, terug in de tas. Ze pakte het schaaltje van Marieke over en bedankte haar.
“Ongelofelijk, het was even alsof ik helemaal alleen op de wereld was.”
“Ja, je was bijzonder gezellig, echt leuk hoor, zulke visite,” zei Johan quasi serieus.
Marianne keek van Johan naar Marieke, trok haar wenkbrauwen op en nam een hap. Toen ze die doorgeslikt had, zei ze tegen Johan: “Je bent de beste collega die ik me kan wensen, en jij Marieke, de beste vriendin! Ik voel me hier zo thuis, dat ik dus gewoon helemaal kan verdwalen in een paar bolletjes breigaren… Beschouw het maar als een compliment!”
“Dat is het ook, het voelde echt vertrouwd,” zei Johan, terwijl hij heel even zijn hand op haar arm legde. “Ik vond het mooi om te zien. Het lijkt erop dat je voortaan kunt frummelen na werktijd. Je handen hoeven zich niet meer te vervelen!”
Samen schoten ze in de lach.
“Weet je dat ik dit als tiener ook graag deed? Alleen gebruikte ik er dan boekjes van de bibliotheek bij. Boekjes waarin stond hoe je het moest doen. Nou is dat misschien handig om wat nieuwe knoopsoorten te leren, maar een patroon volgen… nee, daar had ik geen plezier in. Daarom ben ik toen ook niet verder gegaan. Blijkbaar ben ik destijds niet op het idee gekomen om zelf iets uit te proberen. Ik was zo gewend dat het iets voor moest stellen, dat het er uit zou moeten zien als op het patroon. Als je foto’s van macraméwerk ziet, is het ook vaak best wel strak, strak in model, vaak dezelfde type dingen. Hangers voor bloempotten, tasjes, werkjes voor aan de muur, aan een stokje. En vooral heel symmetrisch, volgens vaste lijnen. En weet je wat ik denk? Door alle procesdingetjes waar ik hier bij jullie doorheen gegaan ben, voel ik me nu vrijer, kan ik de voorbeelden, de modellen, de patronen loslaten en gewoon mijn handen laten gaan. Ze maken wat ik voor me zie, ik zie wat ik voel, ik voel wat ik zie… Volg je ’t nog? Het wordt steeds cryptischer! Ik ben benieuwd hoe ver dit gaat. Het enige dat ik nog wel wil doen, is allerlei knopen op een rijtje zetten, om meer mogelijkheden voor mezelf te creëren. Is dat echt nodig? Of zou ik het zelf voor elkaar kunnen krijgen, gewoon zelf knopen bedenken?”
“Wat denk je?” vroeg Marieke.
“Ik vind het best spannend, maar ik denk dat ik steeds meer dingen zelf kan verzinnen. Nieuwe knopen, richtingen, vormen… Ik denk dat ik de kringloopwinkel maar eens met een bezoek ga vereren, meer breigaren zoeken, om te variëren.”
.
Een paar dagen later lagen er verschillende bolletjes breigaren in haar kast. In eerste instantie had ze alles op kleur gesorteerd, maar het vervolgens weer door elkaar gehusseld, met het idee dat ze de kleur op gevoel zou kunnen vinden. En dat bleek ook het geval te zijn.
Ze knoopte dat het een lieve lust was. En omdat ze er zo’n plezier in had, maakte ze er zo nu en dan een foto van. Ze kon absoluut niet zeggen waar haar werk op begon te lijken, maar ze had er plezier in, en dat vond ze voorlopig het belangrijkste.
Op een gegeven moment, toen ze vanuit het centrum al allerlei verschillende slierten van verschillende kleuren en soorten macramé- en zelfbedachte knopen had gemaakt, kreeg ze een grappige naam voor haar werk in gedachten: ‘Uit de knoop’. Ze lachte er om, ‘Uit de knoop’, terwijl het uit een heleboel knopen bestond.
Ineens drong het tot haar door, dat het werk bestond uit een klein centraal stuk, en dat er allerlei verschillende slierten uit voort kwamen. Die slierten zaten niet in de knoop, ze waren los, vrij. Het enige nadeel vond ze, dat ze allemaal naar beneden hingen. Eigenlijk zouden ze alle kanten op moeten kunnen, maar daar was het werk natuurlijk te slap voor.
Ze kreeg een idee. Ze ging naar boven, naar haar zolder. Daar had ze alle mogelijke en onmogelijke rommel weggelegd, spullen die ze voorlopig toch niet wilde gebruiken. En daar vond ze wat ze zocht: een houten hoepel. Opgetogen nam ze hem mee naar beneden en begon ecru-kleurig katoenen draden te spannen van de ene kant van de hoepel naar de andere. Nadat ze twaalf draden dwars over het midden gespannen had, leek het haar voldoende, sterk genoeg. In het midden, waar de draden over elkaar heen liepen, weefde ze er een nieuwe draad zo doorheen, dat al die centrale punten aan elkaar vast kwamen te zitten.
“Zo, daar moet mijn knoopwerk wel aan kunnen blijven hangen, straks of morgen, als ik klaar ben met knopen.”
Ze ging door en door met wat ze in gedachten gekscherend haar duizendpotige inktvis noemde. Op een gegeven moment voelde ze dat het genoeg was.
Ze ging verder met de hoepel, maakte nieuwe draden aan vier punten van de hoepel vast en knoopte daar vandaan vier even lange slierten. Ze bond de uiteinden aan elkaar vast. Ze had in haar woonkamer een haak aan het plafond zitten, een haak waar ooit een plantenrekje aan gehangen had, maar die nu al een poos buiten gebruik was. Waar de vier slierten aan elkaar gebonden zaten, hing ze het geheel aan die haak, zodat de hoepel ongeveer horizontaal hing.
Wat ze voor zich zag, was dat ze het beginpunt van haar duizendpotige inktvis in het midden van de in de hoepel gespannen draden zou ophangen, en een groot deel van de macramé-slierten, misschien zelfs wel alle slierten, met een bijna onzichtbare draad aan de hoepel zou ophangen, allemaal op verschillende hoogten, zodat ze allemaal hun eigenheid konden laten zien.
Ze zocht roomkleurig naaigaren, knoopte dat zo onzichtbaar mogelijk aan het beginpunt van haar werk. Ze pakte de keukentrap erbij, ging er op staan en verbond haar werk met het centrum van de in de hoepel gespannen draden. Vervolgens bond ze met het naaigaren elke macramé-sliert vast aan de hoepel zelf. Elke sliert gaf ze zo een plek. Ze keek tussendoor regelmatig of wat ze zag naar wens was, en als dat niet zo was, aarzelde ze niet om het naaigaren los te knippen en de macramé-sliert anders te hangen. Pas toen ze klaar was, maakte ze opnieuw een foto en stuurde de hele serie foto’s op naar Marieke. Ze typte erbij dat ze haar werk net een duizendpotige inktvis vond, maar dat ze het een andere naam gegeven had: ‘Uit de knoop’.
.
Marieke mailde haar terug, helemaal enthousiast.
‘Marianne, je bent een kunstenaar! Heb je nou nog wel zin om Johans correspondentie te doen?’ schreef ze in haar reactie.
‘O ja, dat heeft mijn hart, zonder enige twijfel. Maar ik zal eerlijk zijn, dat de vraag waar ik mijn dag mee wilde vullen, met correspondentie of met macramé, wel langs gekomen is. En eigenlijk was het voor mij meteen helder dat die correspondentie voorlopig dieper mijn ding is dan macramé. Die correspondentie heeft behalve dat ik het graag doe, ook iets dringends in zich, een urgentie. Voorlopig vind ik macramé wel de leukste hobby voor de vrije uren,’ schreef Marianne terug.
Mariekes reactie kwam er direct achteraan: ‘Gelukkig maar, Johan wil je niet missen!’
Marianne glimlachte, genoot van de zekerheid dat dit goed was. Johan hoorde bij Marieke, was haar soulmate, en zijzelf was zonder twijfel de beste collega die hij zich kon wensen. En daarnaast waren ze met z’n drieën ook nog eens de beste vrienden. Wat wilde ze nog meer?!
Maak jouw eigen website met JouwWeb